De 1500 meter is de prestigieuste schaatsafstand. Sprinters met inhoud en langeafstandsspecialisten met snelheid nemen het tegen elkaar op. Eurosport-analist en ex-schaatser Jochem Uytdehaage over die mooie, maar moeilijke schaatsmijl.
“Het was niet mijn beste afstand en ik was bepaald geen favoriet. Ik plaatste me op het laatste moment via een skate-off, met een paar honderdsten van een seconde verschil. Daar vonden mensen wel wat van; ik was immers vooral goed op de lange afstanden. Ik was goed in vorm en verraste iedereen, ook mezelf. Daardoor heeft die zilveren medaille voor mij een gouden randje.”
“Elke afstand heeft zijn charme. Ik zou graag het allrounden als olympisch onderdeel zien: wie een goede 500 meter en een goede 10 kilometer kan rijden, is écht de beste schaatser. Als ik één afstand moet noemen, is de 1500 meter voor mij het koningsnummer. Het is een heel mooie afstand, omdat hij zo moeilijk is. Te lang voor pure sprinters, te kort voor de ‘stayers’ die uitblinken op de langere afstanden. Daardoor pakt iedereen de 1500 meter anders aan: sommigen gaan volle bak van start en zien dan wel hoeveel ze aan het eind nog overhebben, anderen houden hun rondetijden juist vlak, zodat ze in het laatste deel winst kunnen pakken.”
“Na 1100 meter was ik nog langzamer dan de meeste van mijn tegenstanders. Mijn laatste ronde was zo ontiegelijk snel. Daar heb ik dat zilver gewonnen.”
“Dat is vooral slecht nieuws voor snelle starters als Femke Kok. Die zijn de laatste ronde veel van hun snelheid kwijt en op traag ijs wordt die vertraging nog groter. Schaatsers die op kracht en conditie rijden, hebben daar meestal minder last van.”